Portret van een gemeenschap die de schaamte voorbij is, le Borinage

Sfeerimpressie van een dorp in Wallonië. Geen wonder dat die Vlamingen van ze af willen.

Link

Volledige tekst:

Caroline de Gruyter 12/05/2001, ©Copyright De Standaard

Wie aan de Borinage denkt, ziet sombere beelden van uitgestorven mijnwerkersstadjes, levenloze mijnschachten en met onkruid begroeide afvalbergen. En heel veel werklozen. Dat beeld klopt. Maar de bewoners van Hornu klagen niet. Elk gezin trekt er met enthousiasme twee uitkeringen. ,,Vroeger werden de mijnwerkers uitgebuit door de staat, nu buiten wij de staat uit.”
Didier telt op zijn vingers: ,,Ik huur een kot. Kathy huurt een kot. De andere Kathy huurt een kot. Anthonie huurt een kot. Als ik doorga met tellen, ben ik morgenochtend nog niet klaar. Bijna iedereen huurt hier een kot.” Een kot is een kamertje waar je wat kleren laat slingeren, een paar vuile kopjes in de gootsteen zet, en waar de huisbaas af en toe het licht aan- en uitdoet. Hij legt ook je post op een stapeltje, die je eens in de paar weken komt ophalen. Voor een kot betaal je acht- tot twaalfduizend frank per maand, maar je woont er niet. Je doet alleen maar alsof. Een kot huren of verhuren is booming business in de Borinage. Voor huurders is het de methode om de sociale dienst te foppen.

,,Wij hebben de fraude uitgevonden”, zegt een van de twee Kathy’s zonder blikken of blozen. Kathy is een vrouw van eind twintig, die mooi zou zijn als ze niet zo broodmager was. Nu zwemmen haar grote bruine ogen in een ingevallen gezicht. Ze is moeder van een ventje van twee, en is op de koffie bij Didier en Françoise. Zij wonen in Hornu, een dorp iets ten zuiden van Bergen, vlak bij de Franse grens. In hun huis woonden ooit grote mijnwerkersgezinnen die, op de hele kleintjes na, met zijn allen elke ochtend in de schacht aan de overkant van de straat verdwenen om er ‘s avonds weer roetzwart en vermoeid uit te komen.

,,Wij hebben de kunst van het magouiller geperfectioneerd”, vult Didier aan, een forse, goedlachse man van 36, met kort, blond stoppeltjeshaar. Magouiller , een typisch spreektaalwoord, betekent zoiets als ‘foezelen’ of ‘trucs uithalen’. Didier is een van de weinige inwoners van Hornu die niet van een uitkering leven. Hij werkt in de bouw, maar zit nu na een bedrijfsongeluk een paar weken thuis met een diepe wond in zijn been.

Toch is ook hij een magouilleur . Didiers vrouw, Françoise, heeft namelijk een werkloosheidsuitkering als gezinshoofd. Ze heeft er strikt gesproken geen recht op, omdat Didier een regulier inkomen heeft. ,,Maar als je alles braaf opgeeft”, zegt Didier, ,,bijt je tot je dood op een houtje.” Dus gingen hij en Françoise een jaar of wat geleden naar de juge de paix om een scheiding aan te vragen. Dat kon gratis. Hij huurde vervolgens een kot, bij een man in een naburig dorp die in een villa woont waarvan hij één verdieping heeft verspijkerd tot een serie kleine kamertjes. Speciaal voor mensen als Didier. Daar staat Didier nu officieel geregistreerd als alleenstaande, gescheiden man.

Via dat adres regelt hij alle correspondentie met de autoriteiten: hij ontvangt er zijn salaris, betaalt er zijn belasting, de huur en niet te vergeten de (minimale) elektriciteitsrekening die je nodig hebt om te bewijzen dat je er echt woont. Het huis in Hornu staat op naam van Françoise: ‘Gescheiden alleenstaande vrouw met kind’. Doordat Didier een kot huurt voor tienduizend frank per maand, incasseert zij een uitkering van 35.000 frank. Didier woont natuurlijk gewoon bij haar en hun zoon Christian, een dikkig jochie van acht met dezelfde korte coupe als zijn vader. ,,Een geweldig systeem”, vindt Didier.

De Borinage, een streek in de Waalse provincie Henegouwen, was eens synoniem met de steenkoolindustrie. Letterlijk, want in het plaatselijke dialect heet die industrie bohren . Zoals elke inwoner van de Borinage noemt Didier zichzelf een Borain . Ondanks die sterke vereenzelviging met de mijnen denken de meeste Belgen bij het woord Borinage tegenwoordig vooral aan de ‘cultuur van de werkloosheid’. Sinds de mijnen in de jaren vijftig, zestig dichtgingen, is er nauwelijks nog werk in de streek.

De eerste helft van de twintigste eeuw trokken hier nog Vlamingen heen op zoek naar werk. In 1920 werkten er bijna veertigduizend mensen in de mijnen. Nu gaat het Vlaanderen economisch zo voor de wind dat er een nijpend tekort aan arbeidskrachten is, en heeft de Borinage de hoogste werkloosheid van heel België. Volgens de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening is de werkloosheid in Vlaanderen 6,2 procent, in Wallonië 19,5. In en om Bergen is maar liefst 26,9 procent van de inwoners ‘werkzoekend’.

Omdat de meeste mijnen ter ziele gingen door groeiende exploitatiekosten en fikse concurrentie uit andere landen, zijn er van de rijkdom van de vroegere eigenaars weinig sporen overgebleven. Wat wél bleef, zijn de gebouwen en de mijnwerkers zelf, of vooral hun nazaten. In de oude patriciërswoningen zitten nu gemeentelijke instellingen, of een enkel bedrijf. In de Rue Sainte-Louise in Hornu, waar het huisje van Didier en Françoise staat, leven veel inwoners al sinds de sluiting van de mijn in 1955 van een uitkering. Werkloosheid is net zo’n monocultuur geworden als de steenkoolindustrie destijds. De enige grote werkgever in de wijde omtrek is Cora, de grote Franse supermarkt. Vanuit het huis van Didier en Françoise kun je het monstrueuze betonnen gebouw zien.

,,Sommigen hebben niemand in de familie die ooit heeft gewerkt”, zegt Didier. Althans, legaal heeft gewerkt. Want het bestaan van een magouilleur houdt niet op bij het huren van een kot. ,,Wie wil werken, heeft zó een baan”, vertelt Didier. ,,Maar wel zwart. We maken straks even een rondje langs de buren, en dan zul je zien: ze werken allemaal.”

Kathy bladert wat door de enige lectuur die er in dit huis te vinden is — de Guide de vos Loisirs , de catalogus van een speelgoedgigant in de buurt — en legt intussen uit waarom zwart werken beter is dan vakkenvullen bij de Cora. ,,Mijn zus werkt daar. Ook op zaterdag. Zij verdient 29.000 frank. Ik doe niets en krijg 32.000 frank. Af en toe strijk ik wat voor een hotel, pas ik op iemands kinderen of schrob de vloer bij een oude zieke mevrouw. Zo verdien ik in twee uur toch weer bijna duizend frank bij, netto. Ik zeg weleens tegen mijn zus: ‘Mens, je verdient minder dan ik, terwijl jij van ‘s ochtends vroeg tot ‘s avonds laat moet zwoegen. Want als je eindelijk thuiskomt van je werk, moet je het hele huishouden nog doen, en het eten, en de kinderen. Ik ben vrij om te doen wat ik wil. Ik kan werken of niet werken, als ik daar zin in heb. Ik heb geen stress. Wie is er nou gek, jij of ik?’ ”

Ze verslikt zich in haar koffie van het lachen op de vraag of er niet af en toe een controleur langskomt. ,,Controleurs! Op tienduizend magouilleurs zijn er tien controleurs! En ze waarschuwen je ruim van tevoren.” Didier kent een controleur die zelf een dochter van 21 thuis heeft zitten, op een uitkering wel te verstaan. Zij huurt ook een kot, zodoende. ,,Je denkt toch niet dat die ons zal verlinken?”

Dat Didier zich weinig zorgen maakt over controleurs, is ook om een andere reden niet zo vreemd. Sociale fraude wordt in België strenger gestraft dan elders in Europa. Wie wordt gepakt, loopt de kans om anderhalf jaar zijn uitkering kwijt te raken. Maar juist omdat de straf zo hardvochtig is, wordt die nauwelijks uitgedeeld. Het systeem werkt dat ook in de hand. Het zijn de vakbonden zelf die de uitkeringen aan hun leden uitdelen. Je kan ook terecht bij een overheidsdienst, de zogenaamde Hulpkas, maar dat kost meer moeite. Dus als de vakbonden een beetje soepel zijn, blijven ze nieuwe leden werven. Mede daardoor zijn de vakbonden nog steeds machtig. De controleurs komen voor een deel van de gewestelijke arbeidsbemiddelingsbureaus. Die helpen ook werklozen om aan werk te komen. En iedereen weet: deze instanties verraden niet graag mensen die ze begeleiden.

KATHY gaat kleren kopen. Didier staat op om het huis te laten zien. Op de begane grond heeft hij — zwart, natuurlijk — de scheidsmuur tussen de twee kamertjes laten weghalen. Dat is de woonkamer. Er is geen halletje, want dat kost maar ruimte. In een uitbouw in de tuin (of liever: een paar vierkante meter beton met een basketbalnet aan de muur) zitten de keuken en de badkamer.

De huisjes zijn nog precies zoals ze in 1822 werden gebouwd. Het zijn er 450, in lange rijen aan elkaar gebouwd langs straten vol kinderhoofdjes. Aan de muren hangen oude lantaarns, die piepen in de wind en die een zwak oranjeachtig licht geven. Tot kniehoogte zijn de meeste huisjes grijs, daarboven kerriekleurig geel, net als vroeger. Ze werden gebouwd door Henri Degorge, de Franse eigenaar van het mijnencomplex in Hornu, die zijn werknemers behalve woonruimte ook eten, medische hulp en kolen gaf. Ook zette hij een school voor ze neer en een feestzaal, waar op 4 december het feest van Sainte-Barbe werd gevierd. Sainte-Barbe is de patroonheilige van de mijnwerkers, zoals Sint-Hubertus die van de jagers is.

Arbeid domineerde het leven van de mijnwerkers. Ze werkten twaalf uur per dag. Kinderen gingen vanaf een jaar of tien ook de schachten in. En die schachten waren overal: vanuit elk huis zag je er wel een. Overal in Hornu liggen grote metalen deksels in het gras of op straat. Je kunt er gewoon overheen lopen. In een ervan staat gekerfd: ‘schacht no. 7, 1954, 787 meter’. Als de mijnwerkers ziek waren, had het met de mijn te maken: kapotte knieën, huidaandoeningen, longontsteking. Ook buiten werktijd waren ze volkomen op elkaar aangewezen. Wat hen bond, was werk, armoe en hun constante strijd voor meer rechten.

De fanfare was opgericht door de mijndirecteur, de bibliotheek was eigendom van de mijn, het ziekenhuis, veel winkels en de douches ook. Nergens staat het slopende bestaan van de mijnwerkers beter beschreven dan in Émile Zola’s Germinal — een aanklacht tegen het grootkapitaal, die later is verfilmd met Gérard Depardieu in de hoofdrol. In Hornu heeft niemand het boek gelezen, maar iedereen heeft de film gezien. Dat wil zeggen: de video ging van hand tot hand.

Alle relikwieën van le pays noir zijn er nog — de hele Borinage staat vol schachten, schoorstenen en mijngebouwen. Overal rijzen de tientallen meters hoge afvalbergen op, waar de stenen werden gedumpt die met de steenkolen mee naar boven kwamen en waar men ongestoord uit vrijen gaat. Maar het leven in Hornu is radicaal veranderd: toen draaide alles om werk, nu om werkloosheid. Toen had men niets, en leefden ze met twee gezinnen in een huisje. Nu spelen veel kinderen oorverdovend motorcross op de laatste Sony Playstation en rijden er Harley Davidsons door de straat.

,,Kijk eens bij de sociale dienst: allemaal Mercedessen voor de deur”, grinnikt Didier. ,,Sommige magouilleurs bouwen villa’s even buiten het dorp. En de restaurants in de buurt zitten in het weekend stampvol. Het verschil met vroeger is: toen werden de mijnwerkers uitgebuit door de staat, nu buiten wij de staat uit.”

Toch bestaat er in Hornu een diep, nostalgisch respect voor de mijnwerkers. Het hele dorp was woedend toen de Cora het mijnencomplex probeerde te kopen, met de bedoeling het plat te gooien en er een parkeerterrein van te maken. Didier trekt een hele middag uit voor een wandeling langs de overblijfselen van het verleden. Hij klopt aan bij de enige nog levende mijnwerker, de 72-jarige Gustave, die in 1971 al met pensioen werd gestuurd (er leeft er nog een, Marius, maar die is seniel). Hij kijkt ademloos toe hoe de man zijn oude helm van de pronkkast vol familiefoto’s en porseleinen beestjes haalt: numéro 111 staat erop. Zijn ogen worden vochtig als Gustave vertelt hoe hij diep onder de grond in de tergende hitte op zijn knieën door de gangen kroop met een vracht hout op zijn rug, om een mijnschacht te gaan stutten. Hoe de paarden daar beneden letterlijk krankzinnig werden van het leven in de duisternis. Over de grote stakingen die ze soms organiseerden, waardoor mensen wekenlang geen cent verdienden, zonder dat de mijndirecteur bereid was te luisteren naar hun eis voor meer loon of veiligheid. ,,Na afloop daalden we maar weer af, madame, pour une petite tartine”. Voor een klein boterhammetje.

,,Als mensen als Gustave destijds niet zo gevochten hadden voor de rechten van de arbeider”, zegt Didier, ,,dan hadden wij nu niet zo’n goed leven gehad. Zij hebben de kastanjes voor ons uit het vuur gehaald.” De oude Gustave wil niks zeggen over de sociale fraude waaraan zoveel buren zich bezondigen. Ook na lang aandringen blijft hij de vraag hardnekkig negeren. Zo is de laatste man in het dorp die zich zo ongeveer heeft doodgewerkt, tegelijkertijd de enige die daar niet open en bloot over praat.

HEEL Hornu stemt op de PS, de Waalse socialisten — de partij van de kanslozen, en tegelijkertijd de politieke elite die al vele tientallen jaren met een ongekend patronagesysteem iedereen te vriend weet te houden, zodat zij aan de macht kan blijven. Didier heeft weinig respect voor les grosses têtes , de politici en zakenlui van de PS die een machtig pact vormen: ,,Allemaal magouilleurs , zoals wij. Maar dan op veel grotere schaal.” Om die opmerking te staven, neemt hij me mee naar het Hades-complex aan de rand van Hornu, foeilelijke moderne gebouwen die hun naam eer aandoen.

Partijmensen, fluistert men, hebben hier tegen betaling bouwvergunningen aan bevriende aannemers en projectontwikkelaars gegeven. Vierhonderd miljoen frank, weet Didier, is aan diverse strijkstokken blijven hangen. Nu staan die gebouwen daar, troosteloos, vol betonrot, en niemand die er iets mee doet. Maar aangezien je in Wallonië zonder ‘rode ‘ partijkaart nog steeds vrijwel nergens komt, helpt Didier het systeem in stand te houden. Met een kaart krijg je voordeeltjes van de dokter, van de man van de sociale dienst, of een plek in het oudercomité van de school. Het bevalt hem ook wel dat de PS op landelijk niveau voorstellen van de Vlaamse politici voor meer autonomie probeert af te schieten. De Vlamingen roepen al jaren dat zij geen belasting meer willen betalen om Waalse werklozen te onderhouden. ,,Die Vlamingen”, zegt Didier, die zoals de meeste Walen geen woord Nederlands spreekt, ,,kwamen hier allemaal werken toen het in de Borinage goed ging. Vroegen wij toen autonomie? En nu zij het een keer goed hebben en wij niet, willen ze meteen onafhankelijkheid. Asociaal gedrag.”

En toch, als er één plek is waar blijkt dat de klacht van de Vlamingen niet helemaal uit de lucht is gegrepen, dan is het wel Hornu. ,,Eh, ja”, zegt Didier met een lach, ,,ze hebben ergens ook wel gelijk.”

Françoise heeft Christian van school gehaald. Ze is een frêle, hartelijke vrouw van 31, met kort geblondeerd haar, die het liefst in trainingspak en dikke trui rondloopt. Ze ververst het water voor Christians schildpadden in de badkamer en gooit een paar paardenbiefstukken in de pan. We eten vroeg vanavond, zegt ze, terwijl ze er puree uit een pakje bij maakt. ,,Weet je waarom we de mijnwerkers ook zo hoog hebben zitten? Ze waren bescheiden en sociaal. Ze hielpen elkaar, hadden elk weekend feesten samen. Nu zijn de mensen materialistischer. Wij steken elkaar de loef af met nog grotere auto’s en nog mooiere computers voor de kinderen. Wij zitten de hele avond voor de televisie. Het is ieder voor zich.”

,,Da’s niet helemaal waar, Françoise”, antwoordt Didier. ,,In andere dorpen waar geen werk is, trekken jongeren naar de stad. In de Borinage niet. Iedereen blijft hier, want hier ken je elkaar. Ik zeg: als er een hond loopt met een hoed op, dan praat je daarmee.”

Daar geeft Françoise hem gelijk in. Haar moeder woont een paar straten verder, haar zus ook. Ze heeft nooit overwogen om Hornu te verruilen voor de grote stad. Ze gruwt van het idee dat je je buren niet eens kent. Maar wat ook meespeelt: mocht ze al werk willen zoeken, dan maakt ze in de stad geen kans op een leven dat beter is. Vandaar ook dat pogingen van Vlaamse bedrijven om Waalse werknemers te ronselen, vrijwel niets uithalen. Net als de mijnwerkers destijds wonen er nu in Hornu maar weinig mensen die méér dan middelbare school hebben. Als de kinderen eindexamen doen, vragen ze meteen een uitkering aan. De aanmoediging om door te leren, krijgen ze van thuis nog steeds niet mee. ,,Misschien voelen we ons daardoor ook wel verwant met de mijnwerkers”, zegt Didier, die zijn biefstuk op heeft en nog maar eens een stickie rolt. ,,Zij hadden het gevoel dat ze vastzaten. Dat ze een aparte klasse waren in de maatschappij, waar iedereen op neerkeek. Dat hebben wij ook. Neem al die drugsgebruikers hier. Het is geen toeval dat de politie er niets aan doet. Ik denk zelfs dat de politici die drugs met opzet onder jongeren verspreiden om ze dom te houden.”

Françoise zet een schaal éclairs op tafel, met chocola en gele room, van de Cora. Christian eet er twee achter elkaar op. ,,Christian, niet doen, je bent al zo vet”, zegt ze. Waarop het ventje begint te krijsen als een speenvarken en er nog een pakt.

ER KLINKT enorm gegil in de Rue Sainte-Louise. Françoise rent de deur uit om te kijken wat er aan de hand is. Midden op straat staat een rode Peugeot geparkeerd, deuren open, motor nog aan. Twee vrouwen rollen over de stoep. Een reuzin met dreadlocks en een flapperende jurk mept er hard op los. ,,Dat is Rosette”, zegt Françoise, en achterhaalt vlug het hele verhaal. Rosette, bijgenaamd la racaille (‘uitschot’), had zo hard gereden dat een bewoonster geërgerd had geroepen: ,,Denk eens aan onze kinderen!” Daarop was Rosette uit de auto gevlogen en in de aanval gegaan. Een oudere vrouw neemt haar bloedende prooi in bescherming. Andere vrouwen houden vele kilo’s Rosette in bedwang. Er is vreemd genoeg geen man te bekennen.

,,Kun je wel, lafaard”, gilt Rosette, ,,schuilen achter de rug van je schoonmoeder!” ,,En jij, sloerie”, schreeuwt de ander terug, ,,jij hebt zoveel schoonmoeders dat je niet eens weet achter welke rug je moet schuilen!” Ik denk niet, zegt Didier even later in de auto op weg naar de tweede Kathy, dat het aantal geflipte mensen in Hornu onder de mijnwerkers zo groot was als nu. Het is nérgens zo groot.

Rosette, een uitkeringstrekster met kind, is aan de drank. Ze vecht wel vaker. Anthonie, de buurjongen, is een junk. Er is geen opvang, niets. Anthonie, een slungelige twintiger die met een uitkering bij zijn ouders woont, staat vaak op het stoepje voor het huis zijn mistroostige vriendinnetje op te vrijen tegen de auto van zijn vader. Het vriendinnetje is epileptisch en is tijdens een ongewenste zwangerschap door haar ouders op straat gezet. Als Anthonie binnen is, kan de hele buurt horen hoe hard hij tegen zijn ouders schreeuwt — over een trui die hij niet kan vinden of waar de colafles is gebleven. De Turk van de snackbar in de hoofdstraat, zegt men, is aan de cocaïne.

Mensen trouwen jong, maar vele huwelijken lopen op de klippen. Ineens merk je dat een buurvrouw alleen woont met de kinderen. Ze probeert het te verbergen, maar dat lukt nooit lang. Al was het maar omdat iedereen haar ex al met een nieuwe vrouw heeft gezien. ,,Er is hier geen enkele schaamte”, zegt Didier. ,,We wonen zo dicht op elkaar, je kunt je nooit beter voordoen dan je bent.”

Het gebrek aan gêne is overal merkbaar. Velen in Hornu wijzen er zelf op dat Marc Dutroux ook uit deze streek kwam. Dutroux, zeggen ze er onheilspellend bij, was óók magouilleur . Vrouwen lopen op straat met krulspelden in, schelden hun echtgenoten uit, doen geen enkele poging hun vetrillen te verbergen. Kinderen, die soms gek worden in de benauwde huisjes, rennen overal naar binnen — niemand heeft overdag de voordeur op slot — en kwekken over wat er bij hen thuis gebeurt. Als twee jongeren samen in de disco worden gezien, weten de ouders het al voor ze weer thuis zijn.

Ook dat komt regelrecht uit Germinal : vrijen deed je in een veld, omdat je thuis met twaalf of meer was, maar in dat veld moest je goed oppassen dat je niet over andermans benen struikelde. Vandaar misschien wel dat niemand er moeite mee heeft om precies uit te leggen hoe ze de sociale dienst oplichten, en zwart werken. ,,Gut ja”, zegt Didier, ,,het was eigenlijk niet in mijn hoofd opgekomen om het níet te zeggen. Voor ons is het volkomen normaal.” Hij parkeert de auto voor een ander mijnwerkershuisje, identiek aan het zijne.

Kathy heeft kort, opzettelijk scheefgeknipt haar met blauwe vegen erin, een neuspiercing en een kordate helderheid in haar ogen die zeldzaam is in de straat. Ze heeft de woonkamer met kundige hand gedecoreerd. Elke muur lijkt wel een etalage met bizarre voorwerpen en stoffen. Er staat een glimmende racefiets tegen de stereo.

,,En Kathy, hoe staat het in het leven?”, vraagt Didier. ,,Hoezo, idioot, ik ben net zo’n magouilleur als jullie allemaal, wil je koffie?” Kathy zet de kopjes op de ‘gemarmerde’ kist die als tafel dient en trekt haar spillebenen onder zich op de bank. Op de asbak zit een enorme kop. Op de tv gaat Het Kleine Huis op de Prairie gewoon door. Ze praat als een mitrailleur. ,,Oké, ik heb twee kinderen van vijf en drie en ik kreeg de eerste op mijn zestiende, wat ik niet had moeten doen, want dan had ik misschien wat meer van mijn leven kunnen maken. Niet dat ik ontevreden ben, hoor, het gaat best. Ik huur een kot, ik heb een uitkering, mijn man is ook chômeur en heeft ook een uitkering, of ex-man moet ik zeggen, want zo regel je dat. Hij zit in de handel en werkt lange dagen. Ik ben weleens boos dat hij zo laat thuis is, maar ja, met het geld hebben we net een nieuwe keuken gebouwd. Mijn broer is aan de drugs, en zijn vrouw ook. Ze hebben een tweeling van vijf. Als ze ruzie hebben, leggen ze het weer bij door elkaar cadeautjes te geven. Ecstasy, heroïne. Je kunt met ze praten wat je wilt, ze luisteren toch niet. Heb je zo genoeg?”

Eenmaal thuis zitten de Italiaanse buren er. Niet de oude Fabio, die alle vrouwen probeert te charmeren, maar wel zijn zoons en de vriendin van een van hen. Allemaal magouilleurs . De vrouwen zitten met de poedel voor de tv, de mannen aan tafel met een kaartspel. Ze spelen om geld. Er brandt één kaal peertje aan het plafond. Niemand rookt niet.

Die dag staat er in Le Soir , een respectabele Waalse krant, een artikel over de attitudes van de moderne Belg. Didier en Françoise hebben geen kranten, maar hij lag bij de Cora. Naast ‘individualisme’, ‘meer gericht op de familie’ en ‘voortgaande ontkerkelijking’ stond er dat Belgen vergeleken bij andere Europeanen het minst op hebben met buitenlanders. Ze zouden liever een junk als buurman hebben dan een zigeuner. ,,O ja, ik ook”, zegt Didier. ,,Trouwens, ik heb een junk als buurman.”

Met de Italianen, die hier al kwamen om in de mijnen te werken, kan hij gezellig kaarten. Van de Algerijnen en Senegalezen, die hier ,,schimmige zaakjes opzetten”, heeft hij geen last, al zou hij niet graag hebben dat iemand in de familie daarmee trouwt. Maar de zigeuners vertrouwt hij voor geen cent. Er zitten er een aantal buiten het dorp, in caravans, al jaren, en niemand durft bij hen in de buurt te komen. Ze zijn onbeschoft, ze stelen, en zijn ontzettend vies. ,,Toch? Jongens?” Hij kijkt naar een van de jonge Italianen, die met een sigaret in de mondhoek geconcentreerd naar de kaarten tuurt. ,,Uitschot”, mompelt de man. ‘We moesten ze het land uitschoppen.”

Het artikel in Le Soir maakt korte metten met de mythe dat Vlamingen grotere racisten zouden zijn dan Walen. Eén op de zes Vlamingen stemt Vlaams Blok. In Wallonië bestaan alleen lokaal kleine extreem-rechtse partijtjes, die vaak even snel verdwijnen als ze waren opgekomen. Ze worden geleid door militante figuren, die nergens het ‘nette’ gezicht proberen op te zetten om stemmen van meer gematigde kiezers te trekken — zoals het Vlaams Blok de laatste tijd met zoveel succes doen. ,,Daarbij”, zegt Didier, ,,de Waal stemt voor mensen met connecties. En die mensen vind je bij de PS. Die rechtsen krijgen niks voor elkaar voor de kiezers. En ach, bij de socialistische partij slaan de leiders net zulke taal over migranten uit als wij. Binnenskamers dan. Dus waarom zouden we ook op extreem-rechts stemmen? ”

Extreem-rechts scoort ook hoog in Vlaanderen omdat de partij zegt dat ze de corruptie en de fraude in België wil uitbannen. Zij heeft de mond vol over uitkeringstrekkers die maar eens aan het werk moeten en uitkeringen waarin moet worden gesneden — ook de uitkeringen voor autochtone Belgen. Dat is een gedachtegoed dat Didier nooit zal steunen. Evenmin als de Italianen met wie hij tot diep in de nacht zit te kaarten. Ze stemmen allemaal progressief, zodat ze alles bij het oude kunnen houden.

Didier verliest en rookt een laatste stickie. Morgen is er weer een dag. En nu hij eraan denkt, wát voor dag: hij moet de huur voor zijn kot betalen.
• Sommige namen in dit artikel zijn op verzoek van de betrokkenen gefingeerd.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *